Annotatie ABRvS 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5183
Essentie
Wijziging veehouderij waarbij geen sprake is van toename aantal dieren binnen inrichting is een wijziging in de zin van de mer-regelgeving. Ontbreken van een aanmeldingsnotitie bij de aanvraag leidt per definitie tot buiten behandeling stellen van de aanvraag.
Samenvatting
Artikel 2 van onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. bepaalt dat sprake is van een wijziging in het geval van een reconstructie of verandering anderszins van een bestaande inrichting. De wijzigingen van de inrichting waarvoor de maatschap de omgevingsvergunning heeft aangevraagd zijn naar het oordeel van de Afdeling aan te merken als een ‘verandering anderszins’ als bedoeld in artikel 2 van onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat sprake is van een activiteit die genoemd wordt in kolom 2 van onderdeel D.14 van de bijlage bij het Besluit m.e.r., dat er sprake is van een besluit als genoemd in kolom 4 van de bijlage en dat daarom een aanmeldnotitie bij de aanvraag moest worden ingediend. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college de toelichting bij de aanvraag niet aan kon merken als aanmeldnotitie. In de aanvraag staat dat de wijziging een milieuneutrale wijziging is en dat een m.e.r. beoordeling niet aan de orde is. Daaruit blijkt dat de maatschap juist niet de bedoeling had een aanmeldnotitie aan te leveren. Bovendien heeft het college overtuigend toegelicht dat de toelichting niet voldoende informatie bevat voor een aanmeldnotitie. Zo ontbreken onder meer een beschrijving van de fysieke kenmerken van de voorgenomen activiteit, de locatie van de gehele activiteit en een concrete uitleg over de effecten van de uitbreiding van de jongveestal. Dat is wel vereist in een aanmeldnotitie op grond van artikel 7.16, vierde lid, van de Wm. Ingevolge artikel 7.28, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer laat het college de aanvraag buiten behandeling indien bij het indienen van de aanvraag geen aanmeldnotitie is gevoegd. Het college heeft geen beslissingsruimte. Artikel 7.28, derde lid, aanhef en onder a, van de Wm gaat voor op artikel 4:5 van de Awb en daarom is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college niet de gelegenheid kon bieden de aanvraag aan te vullen met een aanmeldnotitie.
Uitspraak
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5183, omgevingsvergunning voor verplaatsen 15 stuks jongvee, gemeente Noardeast-Fryslân
Annotatie M.A.A. Soppe
1 Een regelmatig in de praktijk terugkerende vraag is of de wijziging van een veehouderij waarbij het aantal dieren gelijk blijft onder de werkingssfeer van de mer-regelgeving valt. Deze vraag speelt ook in deze zaak die onder het oude recht speelt.
2 Er is door de maatschap een omgevingsvergunning aangevraagd voor het milieuneutraal wijzigen van de veehouderij-inrichting. Uit de context van de uitspraak volgt dat de wijzigingen onder meer bestaan uit het wijzigen van een melkveestal en een jongveestal in verband waarmee 15 stuks jongvee worden verplaatst. In de toelichting bij de aanvraag is aangegeven dat een mer-beoordelingsbesluit niet nodig is. De dragende redeneerlijn daarbij is dat de veehouderij volgens de maatschap als één installatie moet worden gezien en binnen de veehouderij het aantal dieren niet wijzigt.
3 In navolging van het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouder van Noardeast-Fryslân (hierna: ‘het college’), zag de rechtbank Noord-Nederland dat anders. In eerste aanleg oordeelde de rechtbank dat de melkveestal en de jongveestal twee verschillende installaties in de zin van kolom 1 van D-14. Door de verplaatsing van een aantal stuks jongvee van de melkveestal naar de jongveestal neemt het aantal dieren in laatstgenoemde installatie toe. De rechtbank oordeelt dat er dus sprake is van een uitbreiding van een installatie als bedoeld in kolom 1 van onderdeel D, onder 14, van de bijlage bij het Besluit mer (hierna: ‘D-14’). Hoewel daarbij de drempelwaarde in kolom 2 van D-14 niet wordt overschreden, had er op grond van art. 2 lid 5 aanhef en sub b Besluit mer een mer-beoordelingsprocedure moeten worden gevolgd.
4 Ter onderbouwing van haar oordeel, verwijst de rechtbank naar ABRvS 18 september 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE7749. In r.o. 2.3.2 van die uitspraak overwoog de Afdeling dat de daar aan de orde zijn inrichting werd “veranderd door de oprichting van twee nieuwe installaties, welke beide moeten worden aangemerkt als een oprichting in de zin van onderdeel A, onder 2, van de bijlage behorende bij het Besluit”. In onderdeel A, onder 2, was bepaald dat onder de oprichting van een inrichting mede moest worden begrepen de uitbreiding van een inrichting door de oprichting van een installatie.
5 In het Besluit mer zoals dat van toepassing was in de zaak die leidde tot de uitspraak van 18 september 2002 verbond de mer-(beoordelings)plicht voor onder meer veehouderijen niet aan installaties, maar aan inrichtingen (in de zin van de Wet milieubeheer). De bepaling in onderdeel A, onder 2, was het rechtstreekse gevolg van HvJ EG 11 augustus 1995 (zaak C-431/92), M en R 1995/10, nr. 107 (Großkrotzenburgarrest). Uit dat over de mer-richtlijn handelende arrest vloeide voor Nederland voort dat wanneer een inrichting werd gewijzigd doordat daarbinnen een nieuwe installatie werd opgericht, er in termen van de mer-regelgeving gesproken diende te worden van de oprichting van een inrichting. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat wanneer een inrichting uit meerdere installaties bestaat, dan per installatie moet worden bepaald of daarvoor een mer-(beoordelings)plicht bestaat. Ingevolge de mer-richtlijn dient voor het gehele project (dat is het leidende begrip in de mer-richtlijn) worden bezien of er een mer-(beoordelings)plicht bestaat. Daaraan doet niet af dat er in de bijlagen bij de mer-richtlijn soms wordt gesproken over ‘installatie’. Overigens wordt voor veehouderijen in de bijlagen gesproken over ‘installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij’ (bijlage I, onderdeel 17, bij de mer-richtlijn) respectievelijk over intensieve veeteeltbedrijven (bijlage II, onderdeel 1e, bij de mer-richtlijn). Ook hieruit volgt niet dat per installatie moet worden onderzocht of er een mer-(beoordelings)plicht bestaat.
6 Anders dan de rechtbank overweegt, had derhalve naar de gehele inrichting moeten worden gekeken. En de aangevraagde omgevingsvergunning zou op inrichtingsniveau niet leiden tot een toename van meer dieren. De Afdeling lijkt dit te onderkennen. Zij laat de rechtbankuitspraak weliswaar in stand, maar komt met een andere redeneerlijn. De Afdeling sluit namelijk aan bij een andere bepaling in onderdeel A, onder 2, van de bijlage bij het Besluit mer. Daarin is tevens aangegeven dat onder een wijziging in termen van de mer-regelgeving moet worden verstaan “een reconstructie of verandering anderszins van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande inrichtingen”. De Afdeling constateert dat de wijzigingen waarvoor de maatschap de omgevingsvergunning heeft aangevraagd zijn aan te merken als ‘verandering anderszins’. En dus was er sprake van een wijziging van een inrichting ex kolom 1 van D-14. Dat het aantal dieren binnen de inrichting gelijk blijft doet daar niet aan af. Zie voor een soortgelijke uitspraak Rb. Gelderland 12 september 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:5128, r.o. 9.3 e.v. (in die casus nam het aantal dieren zelfs af).
7 Deze uitspraak is ook relevant voor het huidige recht. In bijlage V bij het Ob wordt in de desbetreffende gevallen niet meer gesproken over ‘inrichting’ maar van ‘installatie’. In art. 11.7 lid 4 Ob wordt aangegeven wat onder wijziging respectievelijk uitbreiding van installaties. De definities zijn inhoudelijk gelijk aan die in onderdeel A, onder 2, van de bijlage bij het Besluit mer. Onder het huidige recht zou de uitkomst van de toetsing door de Afdeling dus geen andere zijn geweest, namelijk dat er sprake zou zijn van de wijziging van de veehouderij-installatie waarvoor een mer-beoordelingsplicht bestaat.
8 Omdat er geen aanmeldingsnotitie bij de aanvraag om de omgevingsvergunning was overgelegd, heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld. De maatschap is het daarmee oneens. Daartoe wordt allereerst gewezen op de toelichting bij de aanvraag waarin is aangegeven dat er geen negatieve effecten zullen optreden. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de toelichting bij de aanvraag in dit geval niet gelijkgesteld kan worden met een aanmeldingsnotitie. Er ontbrak de nodige informatie die vereist is voor een aanmeldingsnotitie (zie r.o. 7.1). De maatschap heeft subsidiair betoogd dat de aanvraag niet eerder buiten behandeling had mogen worden gesteld dan nadat er gelegenheid was geboden om de aanvraag aan te vullen. De Afdeling overweegt dat art. 7.28 lid 3 aanhef en sub a van de Wm geen ruimte bood om de aanvraag aan te laten vullen met een aanmeldingsnotitie. Dit is (inmiddels) vaste jurisprudentie. Zie (mijn annotatie bij) ABRvS 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3496, M en R 2026/89.
