Aflevering 60 – Jurisprudentie en actualiteiten omgevingsrecht (juni 2025)

In deze aflevering van ‘IBR – De podcast’ behandelen Fleur Onrust (SIX advocaten) en Daan Korsse (RNMW advocaten) rde meest opvallende actualiteiten en uitspraken op het gebied van stikstof, het natuurbeschermingsrecht, ruimtelijke ordening en handhaving.


Shownotes

Natuurbeschermingsrecht

  • Rb. Noord-Nederland 13 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2344 (Stikstof, Gebiedsbescherming, N2000, project-begrip. Aanhaken. Omgevingsvergunning nieuwbouw ligboxenstal)
    Is er sprake van één project?
    De rechtbank overweegt allereerst dat zij het beroepschrift zo begrijpt dat volgens eiseres de nieuwbouw van de ligboxenstal, samen met realisatie van de monomestvergister, één project in de zin van de Wnb is. […]
    6.2. Uit vaste rechtspraak volgt dat een aanvraag voor een Wnb-vergunning betrekking moet hebben op alle activiteiten die tezamen één project vormen. Het opknippen van een project is in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Voor de beoordeling of sprake is van één project is doorslaggevend of de activiteiten naar aard en tijd van elkaar te onderscheiden zijn, of er sprake is van een onlosmakelijke samenhang en of de ene activiteit een noodzakelijke voorwaarde is om de andere activiteit te kunnen uitvoeren.
    […]
    7.1.1. De stelling dat, zoals eiseres op de zitting gesteld heeft, de ligboxenstal wel zonder de monomestvergister kan functioneren, maar de monomestvergister niet zonder de ligboxenstal, vindt de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Er is niet gebleken dat de monomestvergister voor haar werking afhankelijk is van de mestaanvoer uit de nieuwe ligboxenstal. Vergunninghouder zou ook mest van derden kunnen gebruiken voor de monomestvergister. Er is ook niet gebleken van bijvoorbeeld een fysieke connectie tussen de ligboxenstal en de monomestvergister in de vorm van een aanvoerleiding.
    7.1.2. De rechtbank stelt verder vast dat de bestreden omgevingsvergunning is verleend voor het realiseren van een ligboxenstal met de huisvestingssystemen met Rav-codes A 1.30 (ligboxenstal met roostervloer voorzien van bolle rubber matten, met mestschuif) en A1.40 (ligboxenstal met V-vormige vloer van geprofileerde vloerelementen in een helling van 3,5% in combinatie met een gierafvoerbuis en mestschuif). Op de zitting heeft eiseres gesteld dat de monomestvergister afhankelijk is van de aanvoer van dagverse mest, en dat de vergunde stalsystemen geen vaste vloer hebben maar dat mest wordt opgeslagen in de mestkelder. Daardoor is het volgens eiseres technisch onmogelijk om dagverse mest uit de nieuwe ligboxenstal, aan de monomestvergister te leveren. Met die toelichting lijkt eiseres juist te bevestigen dat er geen sprake is van onlosmakelijke samenhang tussen de ligboxenstal en de monomestvergister.
    7.1.3. Gelet op hetgeen vergund is en hetgeen door eisers aangevoerd is, zijn naar het oordeel van de rechtbank de activiteiten (monomestvergisting en houden van koeien in de nieuwe ligboxenstal) naar aard, tijd en afstand van elkaar te onderscheiden en is niet gebleken van een onlosmakelijke samenhang tussen die activiteiten. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de realisering van de ligboxenstal een noodzakelijke voorwaarde is om de monomestvergisting uit te voeren of vice versa. Het college heeft dan ook terecht de monomestvergisting en de nieuwe ligboxenstal voor het houden van koeien, niet aangemerkt als één project in de zin van de Wnb.
  • Rb. Gelderland 3 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4262 (Stikstof, Gebiedsbescherming, N2000, project-begrip. Aanhaken. Losse kavel, los project)
    7.7. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van 6 december 2023 heeft geoordeeld dat een aanvraag voor een natuurvergunning betrekking moet hebben op alle activiteiten die tezamen één project vormen. Op die wijze is gewaarborgd dat de gevolgen van het gehele project voor het Natura 2000-gebied bij de beoordeling van een vergunning worden betrokken. De beoordeling van de gevolgen van het gehele project dient uitgangspunt te zijn van de voortoets en van de passende beoordeling. Dit kan ook worden afgeleid uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarin meermalen is geoordeeld dat een passende beoordeling betrekking heeft op alle aspecten van een plan of project. Het opknippen van een project is dan ook in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.
    Voor de beoordeling of sprake is van één project of van meerdere projecten dient blijkens de hierboven genoemde uitspraak beoordeeld te worden of de activiteiten naar aard en tijd van elkaar te onderscheiden zijn, of sprake is van een onlosmakelijke samenhang tussen de activiteiten en of de ene activiteit een noodzakelijke voorwaarde is om de andere activiteit uit te kunnen uitvoeren.
    7.8. De rechtbank oordeelt dat het college bij de beoordeling of er significante effecten zijn op Natura 2000-gebieden terecht alleen de stikstofdepositie van de bouw en het gebruik van de vrijstaande woning op kavel 15 heeft berekend. Anders dan eiser heeft betoogd komt de rechtbank niet tot de conclusie dat de bouw en het gebruik van de 15 woningen moet worden beschouwd als één project. Ten eerste zijn de bouw en het gebruik van de vrijstaande woning op kavel 15 en de bouw en het gebruik van de andere woningen naar aard en tijd van elkaar te onderscheiden. De woningen op de 15 verschillende kavels worden namelijk onafhankelijk van elkaar ontworpen en ontwikkeld en los van elkaar gerealiseerd. Ter zitting is door het college medegedeeld dat tot dan toe enkel voor de bouw en ingebruikname van drie woningen een omgevingsvergunning is verleend en voor de overige 12 kavels (nog) geen aanvraag is ingediend. Ten tweede bestaat er geen onlosmakelijke samenhang tussen de bouw en het gebruik van de vrijstaande woning op kavel 15 en de bouw en het gebruik van de woningen op de andere kavels. De woningen worden namelijk afzonderlijk van elkaar gerealiseerd door verschillende initiatiefnemers, die daartoe ook ieder een zelfstandige aanvraag voor moeten indienen. Ter zitting is daarover ter sprake gekomen dat de woningen op de verschillende kavels door een door de eigenaar van die kavel zelf gekozen architect worden ontworpen en door een zelf gekozen aannemer worden gebouwd. Ten derde is de bouw en ingebruikname van de woningen op de andere kavels geen noodzakelijke voorwaarde voor de realisatie en het gebruik van de vrijstaande woning op kavel 15. Op het landgoed is namelijk de ontsluitingsweg al aangelegd en zijn de nutsvoorzieningen voor de verschillende kavels/woningen ook al aanwezig. De beroepsgrond slaagt niet.
  • Rb. Den Haag 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10991 (Handhaving) en ECLI:NL:RBDHA:2025:10993 (Natuurvergunning). (Stikstof, Gebiedsbescherming, N2000, project-begrip, intern salderen, renovatie Binnenhof)
    Natuurvergunning is verleend voor verbouwing en gebruik. Voor stikstofdepositie in de gebruiksfase is gebruik gemaakt van intern salderen. Na verlening van de vergunning is in een aanvullende motivering voldoende gemotiveerd dat ook de gebruiksfase niet zorgt voor aantasting Natura 2000-gebieden, zonder gebruik van intern salderen. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven daarom in stand.
    4.2 Het college heeft de aangevraagde natuurvergunning verleend. In het bestreden besluit staat dat bij het project sprake is van een realisatiefase en een gebruiksfase. Over de gebruiksfase staat in het bestreden besluit dat de hoeveelheid stikstofdepositie niet anders zal zijn dan in de situatie voorafgaand aan de renovatie. Het project veroorzaakt in de gebruiksfase daarom geen toename van stikstofdepositie, zodat deze fase buiten beschouwing is gelaten. In de realisatiefase vindt emissie van stikstof plaats door verkeersbewegingen en door gebruik van mobiele werktuigen. In het bestreden besluit staat dat uit de passende beoordeling van 12 januari 2024 en de AERIUS-berekening van 20 november 2023 blijkt er in de realisatiefase sprake is van een toename van stikstofdepositie van maximaal 0,10 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’. De toename van stikstofdepositie op de overige Natura 2000-gebieden is kleiner en varieert van maximaal 0,01 tot 0,07 mol/ha/jaar. In de passende beoordeling zijn de gevolgen van de stikstofdepositie voor overbelaste habitattypen beoordeeld. Volgens de passende beoordeling zijn significant negatieve effecten door stikstofdepositie voor alle relevante habitattypen uitgesloten. In het bestreden besluit wordt geconcludeerd dat hiermee de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de verschillende Natura 2000-gebieden niet aantast als bedoeld in artikel 2.8, derde lid, van de Wnb, zodat een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb kan worden verleend.
    […]
    6.2. Het college en het RVB stellen zich op het standpunt dat geen sprake is van intern salderen met de referentiesituatie als mitigerende maatregel. Dit betekent dat niet hoeft te worden getoetst aan het additionaliteitsvereiste. Het college en het RVB stellen zich primair op het standpunt dat sprake is van de ongewijzigde voortzetting van één-en-hetzelfde project. Het gebruik van het Binnenhof wijzigt immers niet door de renovatie; de functies van de panden en de omvang van het gebruik blijven exact hetzelfde. Het college en het RVB stellen zich subsidiair op het standpunt dat het inzetten van de referentiesituatie moet worden gezien als standaardonderdeel en niet als mitigerende maatregel. Het college en het RVB betogen ten slotte dat in de uitspraken van 18 december 2024 intern salderen wordt gedefinieerd als “een maatregel waarmee wordt beoogd de rechtstreekse gevolgen van een nieuw project te voorkomen of te verminderen door het beperken of beëindigen van een bestaande vergunde situatie”. In dit geval is geen sprake van het beperken of beëindigen van de referentiesituatie om negatieve effecten van het project te beperken, zodat geen sprake is van intern salderen als mitigerende maatregel.
    6.3. De rechtbank volgt het college en het RVB niet in het betoog dat sprake is van de ongewijzigde voortzetting van één-en-hetzelfde project. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat sprake is van één-en-hetzelfde project als er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit – met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd – continuïteit en identiteit bestaat. Er is geen sprake van één-en-hetzelfde project als een activiteit niet doorlopend wordt verricht en wijzigt, met name wat betreft de plaatsen waar en de omstandigheden waaronder zij wordt verricht.2 De renovatie moet naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een wijziging van het project. De renovatie zorgt ervoor dat de gebouwen worden aangepast om te voldoen aan de eisen van deze tijd, zodat het gebruik van het Binnenhof wordt voortgezet onder gewijzigde omstandigheden. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 december 20243 is de activiteit zoals die na de wijziging wordt voortgezet (inclusief de ongewijzigde onderdelen die worden gecontinueerd) in dat geval een nieuw project, waarvan beoordeeld moet worden of het significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden kan hebben.
    6.4. De rechtbank volgt het college en het RVB ook niet in het betoog dat de inzet van de referentiesituatie met betrekking tot het gebruik van het Binnenhof moet worden gezien als standaardonderdeel. Standaardonderdelen zijn onderdelen in het ontwerp van een project die daar inherent deel van uitmaken en die de schadelijke gevolgen van dat project beperken. Standaardonderdelen worden niet opgenomen ter beperking van de negatieve gevolgen, maar zijn verplicht voor alle projecten van dezelfde soort. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de inzet van de referentiesituatie niet aan deze definitie van standaardonderdelen, reeds omdat de inzet van de referentiesituatie niet verplicht is voor alle renovatieprojecten.
    6.5. De rechtbank overweegt verder dat in de passende beoordeling van 12 januari 2024 de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van het Binnenhof vóór de renovatie en de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van het Binnenhof na de renovatie tegen elkaar zijn weggestreept. In de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat de gebruiksfase na de renovatie niet tot extra stikstofdepositie zal leiden ten opzichte van de gebruiksfase vóór de renovatie, en dat deze daarom niet nader beoordeeld is. Anders dan het college en het RVB betogen is dit aan te merken als intern salderen met de referentiesituatie. De rechtbank volgt het college en het RVB niet in hun betoog dat alleen sprake is van intern salderen met de referentiesituatie wanneer een bestaande vergunde situatie wordt beperkt of beëindigd. De uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 bieden hiervoor naar het oordeel van de rechtbank geen steun.
    6.6. De rechtbank komt tot de conclusie dat in de passende beoordeling intern is gesaldeerd met de referentiesituatie en dat dit als een mitigerende maatregel moet worden aangemerkt. Eiseres betoogt terecht dat het college niet heeft toegelicht dat is voldaan aan de daarvoor geldende vereisten, waaronder het additionaliteitsvereiste. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd en moet worden vernietigd. Het RVB heeft in deze procedure echter een aanvullende passende beoordeling van 17 april 2025 overgelegd. In deze passende beoordeling is de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van het Binnenhof beoordeeld zonder de inzet van de referentiesituatie als mitigerende maatregel. In deze aanvullende passende beoordeling wordt geconcludeerd dat het gebruik van het Binnenhof na de renovatie niet zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de relevante Natura 2000-gebieden.
  • Rb Den Haag 4 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9782 (N2000, stikstof, Wnb, natuurvergunning, intrekking, Schiphol, referentiesituatie, KDW, extern en intern salderen, additionaliteit. En handhaving: (Rb Den Haag 4 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:978)
    68.1. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank leidt uit de uitspraken van 18 december 2024 af dat – anders dan voorheen – de effecten van een project in de aangevraagde situatie niet langer in een voortoets mogen worden weggestreept tegen de effecten van een project in de referentiesituatie. Het aangevraagde project dient in de voortoets op zichzelf te worden beoordeeld ter beantwoording van de vraag of dit mogelijk leidt tot significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Blijkt dat het geval, dan is sprake van een vergunningplichtig project en dient een passende beoordeling te worden gemaakt. Anders dan MOB e.a. en de raad van de gemeente Nieuwkoop betogen, volgt hieruit niet dat in deze passende beoordeling in alle gevallen ook de reeds bestaande onderdelen van een project die ongewijzigd worden voortgezet opnieuw beoordeeld moeten worden. Dit zou immers neerkomen op een herbeoordeling van onderdelen van een project waarvoor eerder al toestemming is verleend. In de uitspraken van 18 december 2024 overweegt de Afdeling onder verwijzing naar het AquaPri-arrest51 dat een dergelijke herbeoordelingsverplichting in beginsel niet bestaat. In de passende beoordeling zijn daarom terecht de gevolgen van de voorgenomen activiteit afgezet tegen de gevolgen die het project had in de beide referentiesituaties.
    […]
    98.4. De rechtbank volgt MOB e.a. niet in hun betoog dat uit het arrest van het HvJEU van 24 juni 202166 volgt dat verweerder in het kader van de additionaliteitstoets moet aantonen dat de andere passende maatregelen die worden getroffen zonder wetenschappelijke twijfel de verslechtering vanwege de te hoge stikstofdepositie in de betrokken Natura 2000-gebieden zullen beëindigen. Dit arrest gaat niet gaat over de toepassing van het additionaliteitsvereiste, maar over de verplichtingen van een lidstaat onder artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.
    Het betoog slaagt niet.
    98.5. De rechtbank volgt MOB e.a. evenmin in hun betoog dat verweerder bij de toets aan het additionaliteitsvereiste onvoldoende aandacht heeft besteed aan de wettelijke reductiedoelstellingen uit artikel 1.12a van de Wnb. De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 november 202267 overwogen dat de in artikel 1.12a van de Wnb gestelde omgevingswaarden op zichzelf niet verplichten tot het verwezenlijken van een gunstige staat van instandhouding van habitats die gevoelig zijn voor stikstof. Bij de gestelde omgevingswaarden gaat het alleen om een percentage van het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden waar de kritische depositiewaarden in 2025, 2030 en 2035 niet langer mogen worden overschreden. Voor 2030 geldt daarbij dat ten minste vijftig procent van het areaal van de voor stikstof gevoelige natuur in Natura 2000-gebieden onder de KDW moet zijn gebracht. Daarmee is niet vereist dat de stikstofdepositie op alle Natura 2000-gebieden wordt verminderd. De rechtbank overweegt dat artikel 1.12a van de Wnb dus niet verplicht om binnen de in dat artikel gestelde termijn in alle betrokken Natura 2000-gebieden de stikstofdepositie onder de KDW te brengen. De rechtbank ziet daarom geen reden voor het oordeel dat verweerder dit artikel bij de additionaliteitstoets had moeten betrekken. Dat de rechtbank Den Haag in een civiele zaak bij vonnis van 22 januari 202568 heeft geoordeeld dat de Staat der Nederlanden onrechtmatig handelt doordat de wettelijke reductiedoelstelling uit artikel 1.12a van de Wnb in 2025 niet is gehaald en, met de huidige ontoereikende maatregelen, in 2030 zeer waarschijnlijk niet wordt gehaald is, anders dan MOB e.a. en de raad van de gemeente Nieuwkoop betogen, daarom ook niet van belang voor de additionaliteitstoets die door verweerder in deze zaak moet worden verricht.
    Het betoog slaagt niet.
    Conclusie additionaliteitsvereiste
    De rechtbank heeft in de tussenconclusie in overweging 89 overwogen dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen additionaliteitstoets heeft verricht. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en zal worden vernietigd. Verweerder heeft in het verweerschrift en in de nadere reactie op de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 alsnog een additionaliteitstoets verricht. De rechtbank heeft in overweging 91.1 overwogen dat deze toets ten onrechte niet ook betrekking heeft op de depositie van zwaveldioxide. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat verweerder met de overgelegde rapporten van DNV en het ministerie van LVVN aannemelijk heeft gemaakt dat in alle betrokken Natura 2000-gebieden sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie. Voor verschillende betrokken Natura 2000-gebieden geldt echter dat sprake is van (dreigende) verslechteringen en verstoringen die significante effecten kunnen hebben. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn verplicht in dat geval tot het treffen van passende maatregelen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 volgt dat als mitigerende maatregelen ook als passende maatregelen kunnen worden ingezet, een zwaardere motiveringsplicht geldt ten aanzien van het additionaliteitsvereiste. In dat geval kan verweerder er niet mee volstaan aannemelijk te maken dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie in de betrokken Natura 2000-gebieden, maar moet inzichtelijk worden gemaakt dat hiermee wordt voorzien in de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder met de overgelegde rapporten van DNV en het ministerie van LVVN, er niet in is geslaagd om dat inzichtelijk te maken. Dat betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit op dit punt niet in stand zal laten.
  • ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969 (N2000, stikstof, natuurvergunning, intrekkingsverzoek, additionaliteit, Noord-Brabant, Verzoek om de vergunning van DOVO B.V. ogv Natuurbeschermingswet 1998 gedeeltelijk in te trekken op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, afgewezen)
    Het provinciebestuur heeft onvoldoende onderbouwd welke daling van stikstofdepositie het noodzakelijk acht en binnen welke termijn deze daling kan worden gerealiseerd. Ook heeft het provinciebestuur onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke andere passende maatregelen binnen afzienbare termijn zullen worden getroffen en dat de daling van stikstofdepositie door deze maatregelen voldoende is om verslechtering tegen te gaan van de natuurwaarden in Kempenland-West die al zwaar overbelast zijn. Het beroep van Stichting Brabantse Milieufederatie tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten is dan ook gegrond en het college van gedeputeerde staten moet opnieuw beslissen op het verzoek van de stichting om de natuurvergunning gedeeltelijk in te trekken. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het provinciebestuur van Noord-Brabant opgedragen dit vóór 1 december 2025 te doen.
  • ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2973 (N2000, stikstof, natuurvergunning, intrekkingsverzoek, additionaliteit, Gelderland. Verzoek om de natuurvergunning van de geitenhouderij in Hurwenen gedeeltelijk in te trekken op grond van artikel 5.4, eerste lid en onder b, en het tweede lid, van de Wnb)
    Door de uitleg over de eigenschappen en kenmerken van het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ in samenhang met de gegevens uit AERIUS Monitor 2022 waarin een prognose is gegeven van de effecten van de passende maatregelen, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland voldoende inzichtelijk gemaakt dat deze maatregelen tot gevolg hebben dat de stikstofdepositie binnen afzienbare termijn daalt en door deze daling wordt voorkomen dat de natuurwaarden in Rijntakken verslechteren. Het provinciebestuur van Gelderland heeft het verzoek van de Stichting ‘Dorp en Landschap Bommelerwaard’ om de natuurvergunning van de geitenhouderij gedeeltelijk in te trekken, terecht afgewezen. Het beroep van de stichting tegen dit besluit is dan ook ongegrond.
    Andere passende maatregelen
    De prognoses van AERIUS Monitor 2022 zijn gebaseerd op uitgangspunten uit de Klimaat- en Energieverkenning 2020 (hierna: KEV) van het Planbureau voor de Leefomgeving. De KEV stelt twee emissieramingen vast: een op grond van vastgesteld beleid – dat is beleid dat bindend was vastgesteld op de peildatum van 1 mei 2020 – en een op grond van voorgenomen beleid. AERIUS Monitor 2022 gebruikt alleen de emissieraming op grond van vastgesteld beleid met peildatum 1 mei 2020. De Afdeling verwijst kortheidshalve naar paragraaf 3.1 van het “overzicht van uitgangspunten scenario aannames en beleid in de KEV 2020” van 30 oktober 2020, waarin staat aangegeven welke maatregelen zijn betrokken. De maatregelen met een kruisje onder “V” in de tabel is het vastgestelde beleid dat is betrokken in de AERIUS Monitor 2022.
    17.1. Op de zitting is door het college toegelicht dat in de NDA over Rijntakken is onderzocht of de in AERIUS Monitor 2022 betrokken maatregelen de ecologische onderbouwing leveren dat die maatregelen een verslechtering tegengaan en het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen mogelijk maken. In de NDA is voor de onder 16 genoemde natuurwaarden tot de conclusie gekomen dat het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen mogelijk blijft met het vastgestelde pakket aan maatregelen.
    17.2. De Afdeling overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat uit AERIUS Monitor 2022 blijkt dat al het per 1 mei 2020 vastgestelde beleid ertoe zal leiden dat in 2030 op geen enkele natuurwaarde, met uitzondering van Lg11 (leefgebied kamgrasweide & bloemrijk weidevogelgrasland), waar de vergunde bedrijfsactiviteiten effecten op hebben, nog sprake zal zijn van stikstofoverbelasting. Wat betreft Lg11 is in AERIUS Monitor 2022 te zien dat de stikstofoverbelasting aan het afnemen is en in 2030 nog op 1,4% van het oppervlak sprake zal zijn van een lichte overbelasting en op 1,2% van een matige overbelasting.
    17.3. Voor zover de stichting betoogt dat de conclusies uit de NDA niet moeten worden gevolgd, omdat uit het advies van de Ecologische Autoriteit van 29 januari 2024 blijkt dat sommige van de conclusies bijstelling behoeven naar “nee, tenzij”, overweegt de Afdeling het volgende. Op de zitting is door het college toegelicht dat de NDA en het advies van de Ecologische Autoriteit zien op het gehele Natura 2000-gebied Rijntakken. Dit gebied bestaat uit verschillende delen en habitattypen, en leefgebieden komen in de verschillende delen ervan in meer of mindere mate voor. In de NDA en het advies van de Ecologische Autoriteit is voor de natuurwaarden in alle delen van het Natura 2000-gebied gezamenlijk tot één conclusie gekomen. Daarbij ziet de conclusie in de NDA en in het advies van de Ecologische Autoriteit op de staat van de natuurwaarden met inachtneming van alle drukfactoren. Maar het college ziet in AERIUS Monitor 2022 bevestigd dat stikstof geen drukfactor meer is op de natuurwaarden in het westelijk deel van Natura 2000-gebied Rijntakken, waarop de vergunde bedrijfsactiviteiten effecten hebben. Dat wellicht op grond van het advies van de Ecologische Autoriteit in zijn algemeenheid de conclusies moeten worden aangepast voor sommige natuurwaarden, betekent niet dat sprake is van verslechtering van die natuurwaarden in het gedeelte van Rijntakken waarop de vergunde bedrijfsactiviteiten effecten hebben. Gelet op deze toelichting van het college ziet de Afdeling in wat de stichting heeft aangevoerd over het advies van de Ecologische Autoriteit geen aanleiding voor het oordeel dat het college de NDA niet mocht betrekken in haar besluitvorming.
    17.4. Door de uitleg over de eigenschappen en kenmerken van het Natura 2000-gebied in samenhang bezien met de gegevens uit AERIUS Monitor 2022 waarin de effecten van de passende maatregelen zijn geprognosticeerd, heeft het college, gelet op overweging 6.7, voldoende inzichtelijk gemaakt dat deze maatregelen de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn tot gevolg hebben. Het college kon daarom terecht afzien van het gedeeltelijk intrekken van de natuurvergunning.
  • ABRvS 2 juli 2025 (Natuurvergunning voor parkeerterrein voor museum Voorlinden in Den Haag, No. 202305288/1) (N2000, natuurvergunning, intern salderen, project begrip)

Ruimtelijk ordeningsrecht

  • ABRvS 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2564
    8.2. Het college heeft de gevolgen van het weiden van vee beoordeeld door het aantal stuks vee dat in de aangevraagde situatie zal worden beweid te vergelijken met het aantal stuks vee dat in de obm-vergunde situatie wordt beweid. De Afdeling deelt het standpunt van MOB dat aan de obm-vergunning geen referentiesituatie voor beweiden kan worden ontleend, omdat een milieutoestemming geen betrekking heeft op het beweiden (vergelijk de uitspraak van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2874, onder 24.1). De gevolgen van het weiden van vee zijn daarom in het bestreden besluit niet goed in kaart gebracht.
    Het betoog slaagt.
    8.3. Voor het alsnog te nemen besluit geeft de Afdeling mee dat de gevolgen van het weiden van vee in de aangevraagde situatie in kaart moeten worden gebracht. Het college mag daarbij ook in het kader van een passende beoordeling bezien of die gevolgen intern kunnen worden gesaldeerd met een referentiesituatie. Een referentiesituatie voor beweiden kan, net als voor bemesten, worden ontleend aan een planologisch regime dat algemene regels bevat over agrarisch grondgebruik, waarvan weiden en bemesten een onderdeel is. Voor de beoordeling of een referentiesituatie aan het planologisch regime voor de te beweiden gronden kan worden ontleend en voor het bepalen van de omvang van de referentiesituatie, is het kader dat is uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2874 en dat is aangevuld in de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2404, van toepassing. Intern salderen met een referentiesituatie die ontleend wordt aan algemene regels is, zoals in de laatstgenoemde uitspraak is overwogen, een mitigerende maatregel die onder voorwaarden in een passende beoordeling mag worden betrokken. Dat betekent onder meer dat het college moet beoordelen of voldaan is aan het additionaliteitsvereiste (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923).
  • ABRvS 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2560
    Tussen partijen is niet in geschil dat de feitelijk gerealiseerde chalets groter zijn dan de maximale afmetingen zoals opgenomen in artikel 3, aanhef en onderdeel 2, onder a en b, van bijlage II van het Bor. Van een recreatief nachtverblijf dat zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo kan worden gebouwd, is dus geen sprake. Gelet hierop voldoen de feitelijk gerealiseerde chalets niet aan het hiervoor geciteerde voorschrift bij de omgevingsvergunning dat de chalets worden gebouwd overeenkomstig het vergunningvrije regime in het Bor.
    6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:961, onder 13.1, dient het college bij het verlenen van een omgevingsvergunning een besluit te nemen op de aanvraag zoals die voorligt. Dat betekent in dit geval dat het college op basis van de aanvraag moet beoordelen of de gewijzigde situering van de chalets ten opzichte van de omgevingsvergunning uit 2019, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dat de feitelijk gerealiseerde chalets niet voldoen aan het voorschrift bij de omgevingsvergunning dat deze worden gebouwd overeenkomstig het vergunningvrije regime in het Bor en, in het verlengde hiervan, de landschappelijke inpassing niet kan worden gerealiseerd of in stand worden gelaten, zoals [appellanten] stellen, is een kwestie van handhaving en raakt de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning uit 2021 niet. De uitspraak van 30 juli 2014, waarnaar [appellanten] verwijzen, maakt dit niet anders, omdat de situatie in die zaak niet vergelijkbaar is met de situatie die in deze zaak aan de orde is. In die zaak ging het immers om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, terwijl hier een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo voorligt.
  • ABRvS 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2531
    Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van 94 woningen aan het Rendierveld en de Sporkenhoutlaan in de wijk Schuttersbosch in Eindhoven. De woningen worden uitgevoerd als twee-onder-één-kap woningen. Het plangebied is opgedeeld in twee delen, een oostelijk deel aan het Rendierveld en een westelijk deel aan de Sporkenhoutlaan. Verder voorziet het plan in een geluidsscherm langs de Leenderweg, ten westen van de Sporkenhoutlaan. Op de planlocatie staat nog een aantal woningen, dat op een later moment wordt gesloopt. Het vorige bestemmingsplan maakte 33 woningen mogelijk in het plangebied. Met het bestemmingsplan zijn dus 61 meer woningen toegestaan. (…)
    [appellant] betoogt dat de gevolgen van het bestemmingsplan voor de verkeerssituatie niet zorgvuldig zijn onderzocht. Hij wijst erop dat bij de berekening van de verkeerstoename is uitgegaan van een onjuist uitgangspunt. De raad heeft bij de beoordeling van de effecten de planologische toename van het aantal woningen als uitgangspunt gebruikt. Volgens [appellant] had echter gekeken moeten worden naar de feitelijke situatie in het plangebied met dertien woningen en had de huidige verkeerssituatie in kaart gebracht moeten worden. De raad had dan moeten uitgaan van een ontwikkeling van 81 woningen. Verder stelt [appellant] dat er ten onrechte van wordt uitgegaan dat de Floralaan Oost de verkeerstoename aankan. Het plangebied heeft één uitgangsweg die aansluit op de Floralaan Oost. Op deze weg is in de huidige situatie op piekmomenten al sprake van filevorming. Met de planontwikkeling wordt het alleen maar drukker.
    11.1. De raad heeft toegelicht dat de verkeersgeneratie op basis van de ontwikkeling waarin het bestemmingsplan voorziet, is berekend met gebruikmaking van de CROW-publicatie “Kencijfers Parkeren en Verkeersgeneratie”. De raad stelt dat alleen de planologische toename van het aantal woningen is onderzocht, omdat de verkeersgeneratie van de al toegestane woningen is berekend bij de vaststelling van het voorheen geldende bestemmingsplan.
    11.2. Wat betreft de berekende verkeersgeneratie van de voorziene ontwikkeling is de raad naar het oordeel van de Afdeling uitgegaan van een juist uitgangspunt. Op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan “Stratum buiten de Ring II 2016” zijn 33 woningen toegestaan. De raad mocht daarom uitgaan van een ontwikkeling van 66 (lees: 61) woningen bij de berekening van de verkeersgeneratie van het nu voorliggende bestemmingsplan.
    In paragraaf 3.7 van de plantoelichting staat dat het plan leidt tot een verkeerstoename van 270,6 motorvoertuigen per weekdag en 300,4 motorvoertuigen per werkdag. Verder is uitgerekend dat het plan leidt tot een verkeerstoename van 30 motorvoertuigen gedurende het drukste uur. Dit is één auto per twee minuten. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat een dergelijke verkeerstoename niet tot problemen zal leiden op de Floralaan Oost. [appellant] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een ernstige verslechtering van de verkeerssituatie op de Floralaan Oost door de planontwikkeling zich niet zal voordoen.
  • ABRvS 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2630
    19.2. In § 4.9.1 van de plantoelichting is een vergelijking gemaakt tussen de laatst aanwezige functie in het voormalige klooster en de toekomstige woonfunctie. De laatst aanwezige functie betreft een verzorgingstehuis met 71 kamers. In de bestemde situatie is sprake van 40 woningen bestaande uit 37 appartementen en 3 woningen. Aangezien voor de verkeersaantrekkende werking van een verzorgingshuis geen kengetallen beschikbaar zijn, is in de plantoelichting aangesloten bij de CROW kengetallen voor een vergelijkbare functie, zijnde “kamerverhuur, niet zelfstandig”. Volgens de raad kan in het centrum van Sittard op basis van een gemiddelde weekdag voor 71 kamers worden uitgegaan van ongeveer 71 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
    Voor de bestemde situatie kan volgens de raad op grond van de CROW rekentool “verkeergeneratie & parkeren” worden uitgegaan van ongeveer 232 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Wanneer de voormalige functie en de toekomstige functie met elkaar worden vergeleken, is sprake van een toename van de verkeersaantrekkende werking van ongeveer 161 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag.
    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat deze toename zonder problemen op het omliggende wegennet kan worden verwerkt. Daarbij betrekt de Afdeling dat binnen de voorheen geldende bestemming “Maatschappelijk” verschillende functies zijn toegestaan, zoals een gezondheidscentrum, waarvoor een fors hogere verkeersaantrekkende werking geldt dan voor de thans vastgestelde woonfunctie.
  • ABRvS 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2652
    9.4. Naar het oordeel van de Afdeling is artikel 5.1, onder a, onder 3 van de planregels in strijd met artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro, voor zover het regelt dat het gebruik van de gronden moet voldoen aan het geldende uitgiftebeleid zoals dat geldt op het moment van vestiging van het bedrijf. Anders dan bij het bouwen van gebouwen, voor welke activiteit in beginsel een omgevingsvergunning dient te worden verleend, is het (veranderen van het) gebruik namelijk niet afhankelijk van de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro. Vergelijk de uitspraak van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1578, onder 9. Daarbij komt dat de raad op de zitting heeft toegelicht dat het uitgiftebeleid nog niet is vastgesteld. Het is daardoor onduidelijk waar de bedrijven, die zich zullen vestigen op de planlocatie, op grond van dit beleid aan moeten voldoen en in hoeverre dit beleid ziet op ruimtelijk relevante aspecten. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat artikel 5.1, onder a, onder 3, van de planregels in strijd is met artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro en de rechtszekerheid.
  • ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2677
    86.4. De Afdeling is gelet op wat [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en de stichting met het stuk van Van Giesen van 8 juli 2024 en het stuk van het RIVM hebben aangevoerd van oordeel dat provinciale staten onvoldoende hebben gemotiveerd dat zij de (mogelijke) gevolgen van de erosie van (de coatings op) de wieken, met name van emissie van BPA voor de gezondheid en het milieu deugdelijk in de beoordeling hebben betrokken. Uit wat provinciale staten in de stukken en op de zitting naar voren hebben gebracht is het de Afdeling niet gebleken of en zo ja op welke wijze in de besluitvorming is betrokken dat de erosie van (de coatings op) de wieken schadelijke effecten zou kunnen hebben op de gezondheid van omwonenden en de luchtkwaliteit vanwege loskomende deeltjes plastic en chemicaliën, met name van BPA. Weliswaar hebben Provinciale staten en het college van GS enerzijds en het waterschap en IJsselwind B.V. anderzijds bij onderscheidenlijke brieven van 15 oktober 2024 alsnog op het stuk van Van Giesen van 8 juli 2024 en het stuk van het RIVM gereageerd, maar zoals uit overwegingen 9 tot en met 12 volgt zijn deze stukken buiten beschouwing gelaten vanwege strijd met een goede procesorde.
    86.5. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het PIP niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd en in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb.