Aflevering 61 – Jurisprudentie en actualiteiten omgevingsrecht (juli 2025)

In deze aflevering van ‘IBR – De podcast’ behandelen Fleur Onrust (SIX advocaten) en Daan Korsse (RNMW advocaten) rde meest opvallende actualiteiten en uitspraken op het gebied van stikstof, het natuurbeschermingsrecht, ruimtelijke ordening en handhaving.


Shownotes

Stikstof, natuur

  • ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3389
    Bij besluit van 16 juli 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg aan [bedrijf] een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming verleend voor de wijziging van de exploitatie van een pluimvee- en varkenshouderij met mestverwerking aan de [locatie in Leunen. [bedrijf] exploiteert een pluimvee- en varkenshouderij aan de [locatie] in Leunen. Voor de exploitatie van het bedrijf is op 17 november 2016 een natuurvergunning verleend voor 2.260 vleesvarkens, 119.998 legkippen en 80.000 ton mestverwerking met een gecombineerde luchtwasser met een verwijderingsrendement van 85%. De aanvraag heeft betrekking op het houden van 2.260 vleesvarkens, 109.801 legkippen en 80.000 ton mestverwerking met een chemisch luchtwassysteem met een rendement van 95%. Ten opzichte van de natuurvergunning van 17 november 2016 wijzigt het aantal te houden legkippen en de verdeling van de legkippen over de twee stallen. Verder wordt een ander luchtwassysteem bij de mestverwerkingsinstallatie toegepast. De stalsystemen voor de varkensstal en legkippenstallen wijzigen niet.
    Vergunningplicht – intern salderen
    De Stichting en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte zelf voorziend de aanvraag heeft afgewezen omdat geen vergunning nodig zou zijn. De Stichting en anderen voeren aan dat de rechtbank haar oordeel dat geen vergunning nodig is ten onrechte baseert op een vergelijking van de gevolgen van de aangevraagde situatie met de gevolgen in de referentiesituatie (intern salderen). Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (hierna: 18 december-uitspraak) volgt dat dat niet kan.
    5.1. Het college stelt dat de aanvraag voor de natuurvergunning betrekking heeft op de gedeeltelijke voortzetting van één-en-hetzelfde project. De activiteiten blijven hetzelfde, de identiteit verandert niet en er is sprake van continuïteit. Het college leidt uit de 18 december-uitspraak af dat voor de voortzetting van één-en-hetzelfde project geen vergunning nodig is. De rechtbank heeft daarom terecht zelf voorziend de aanvraag afgewezen, ook al heeft de rechtbank daar een andere reden aan ten grondslag gelegd.
    5.2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) heeft in punt 86 van het arrest van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882 (PAS) overwogen dat een activiteit kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project waarvoor geen nieuwe beoordeling nodig is op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, “mits het daarbij gaat om één enkele verrichting die zich kenmerkt door een gemeenschappelijk doel, continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd.”
    5.3. [bedrijf] heeft een natuurvergunning aangevraagd om ten opzichte van de geldende natuurvergunning de volgende wijzigingen in de bedrijfsvoering door te voeren: het aantal te houden legkippen vermindert, de verdeling van de legkippen over de twee stallen verandert, en bij de mestverwerkingsinstallatie wordt een ander luchtwassysteem toegepast.
    5.4. De Afdeling deelt het standpunt van het college dat de aangevraagde situatie beschouwd kan worden als de voortzetting van één-en-hetzelfde project ten opzichte van het project waarvoor op 17 november 2016 een natuurvergunning is verleend, niet. De andere verdeling van de kippen over de stallen en de toepassing van een ander luchtwassysteem leiden tot een wijziging van de exploitatie van het bedrijf die op grond van de natuurvergunning van 17 november 2016 niet is toegestaan. Door de andere verdeling van de kippen over de stallen en de toepassing van een ander luchtwassysteem, is geen sprake van volledige overeenstemming met het project waarvoor de natuurvergunning van 17 november 2016 is verleend. Dit betekent dat de aanvraag voor de natuurvergunning betrekking heeft op de wijziging van een eerder vergund project en daarmee op een nieuw project (vergelijk 17.5 van de 18 december-uitspraak).
    5.5. In de 18 december-uitspraak heeft de Afdeling in 17.7 uiteengezet dat de aanvraag voor de natuurvergunning voor de wijziging van een bestaand vergund project betrekking heeft op het gehele project na wijziging, dus inclusief de ongewijzigde onderdelen van een project die worden voortgezet. Voor dat nieuwe project, moet worden beoordeeld of een vergunning nodig is (vergelijk 17.5-17.7 van de 18 december-uitspraak). Bij die beoordeling – de voortoets – mag, zo volgt uit de 18 december-uitspraak, niet langer een vergelijking worden gemaakt tussen de gevolgen van de bestaande vergunde situatie en de gevolgen van het project na wijziging. Bij die beoordeling moeten de gevolgen van het project op zichzelf worden onderzocht. Als uit die beoordeling volgt dat significante gevolgen niet op voorhand zijn uitgesloten, dan is voor het project een natuurvergunning nodig. De referentiesituatie mag onder voorwaarden wel als mitigerende maatregel in een passende beoordeling worden betrokken bij de verlening van de natuurvergunning.
    De rechtbank heeft het beroep van de Stichting en anderen beoordeeld op basis van de rechtspraak over intern salderen zoals die vóór de 18 december-uitspraak luidde. Uit het voorgaande volgt dat de Stichting en anderen terecht aanvoeren dat het beoordelingskader dat aan die rechtspraak is ontleend en door de rechtbank is toegepast ten onrechte ervan uitgaat dat de referentiesituatie mag worden betrokken bij de vraag of de aangevraagde activiteit vergunningplichtig is. De beslissing van de rechtbank om zelf voorziend de aanvraag voor de vergunning af te wijzen omdat geen natuurvergunning nodig is kan daarom niet in stand blijven.
    Het betoog slaagt.

Natuur

  • Rb. Noord-Nederland 27 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2577 (Omgevingsvergunning milieu, Gezondheid, natuur, Mer-beoordeling)
    Omgevingsvergunningen voor het wijzigen van de exploitatie van een grondgebonden melkrundveehouderij naar een grondgebonden geitenhouderij. I.c. wordt ten aanzien van de gevolgen van de geitenhouderij voor de natuur geoordeeld dat het college ten tijde van het nemen van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing zelf dient te beoordelen in hoeverre er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige effecten voor het milieu. Dit betekent dat het college ten tijde van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing niet kan uitgaan van de natuurbeoordeling door het college van gedeputeerde staten . Hieruit volgt dat het college, gelet op het peilmoment van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing, de beoordeling voor wat betreft de mogelijke belangrijke nadelige effecten voor het milieu niet kan afwentelen op een procedure over de natuurvergunning in de verwachting dat er op grond van de Wnb sprake is van een strenge toetsing.
    11.7. Ten aanzien van de gevolgen van de geitenhouderij voor de natuur overweegt de rechtbank verder dat het college ten tijde van het nemen van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing zelf dient te beoordelen in hoeverre er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige effecten voor het milieu. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het college ten tijde van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing niet kan uitgaan van de natuurbeoordeling door het college van gedeputeerde staten (college van GS). Hieruit volgt dat het college, gelet op het peilmoment van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing, de beoordeling voor wat betreft de mogelijke belangrijke nadelige effecten voor het milieu niet kan afwentelen op een procedure over de natuurvergunning in de verwachting dat er op grond van de Wnb sprake is van een strenge toetsing. Met betrekking tot het onderdeel natuur stelt de rechtbank vast dat het college in de m.e.r.-beoordelingsbeslissing weinig aandacht heeft besteed aan het NNN-gebied It Easterskar. Verder stelt de rechtbank vast dat het college in de m.e.r.-beoordelingsbeslissing onvoldoende in kaart heeft gebracht welke belangrijke nadelige gevolgen het onderhavige project kan hebben voor wat betreft de beschermde soorten.

Bestemmingsplan

  • ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3197 (Bestemmingsplan, Wet ruimtelijke ordening (Wro) Wet op de lijkbezorging (Wlb), Resomeercentrum. Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan)
    I.c. wordt geoordeeld dat de raad ten onrechte de functieaanduiding “specifieke vorm van maatschappelijk – resomeercentrum” heeft toegekend aan de gronden met de bestemming “Maatschappelijk”. Daartoe overweegt de Afdeling dat lijkbezorging door resomeren geen wettelijk toegestane vorm van lijkbezorging is. Het bestemmingsplan maakt daarmee het gebruik van gronden mogelijk dat in strijd is met de wet. Naar het oordeel van de Afdeling is dit niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Het standpunt van de raad dat de functieaanduiding in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening omdat resomeren binnen de planperiode met een naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een toegestane vorm van lijkbezorging wordt, volgt de Afdeling niet. Het is immers niet uitgesloten dat het wetsvoorstel waarmee dat mogelijk wordt gemaakt geen doorgang zal vinden.
  • ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3124 (Bestemmingsplan “Oranje”, handhaving, Last onder dwangsom, recreatiewoning, arbeidsmigranten. Uitleg planregels. Dwangsom vanwege het verblijf van arbeidsmigranten in recreatiewoningen op een vakantiepark)
    In artikel 8.1, onder c, van de planregels is bepaald dat gronden met de bestemming “Recreatie”, voor zover zij zijn voorzien van de functieaanduiding “verblijfsrecreatie” onder andere zijn bestemd voor recreatiewoningen. Verder is in artikel 1, onder vv, van de planregels bepaald wat onder het begrip “recreatiewoning” moet worden verstaan in dit plan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is daarin niet bepaald dat de recreatiewoningen voor recreatieve doeleinden mogen of moeten worden gebruikt. De omstandigheid dat artikel 8.1, onder c, van de planregels behoort tot de bestemming “Recreatie” maakt dat niet anders. Dat de titel van deze bestemming “Recreatie” is, betekent, anders dan het college stelt, niet dat alle in artikel 8.1 van de planregels genoemde vormen van gebruik van gebouwen slechts zijn toegestaan voor zover het gaat om gebruik voor recreatieve doeleinden. Aangezien de artikelen 1, onder vv, en 8.1, onder c, van de planregels op zichzelf voldoende duidelijk zijn, komt er geen betekenis toe aan de titel van de bestemming. De Afdeling komt daarom niet toe aan de vraag hoe dat begrip uitgelegd dient te worden. I.c. is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat de omstandigheid dat de recreatiewoningen niet voor recreatieve doeleinden worden gebruikt, niet maakt dat sprake is van een overtreding van de regels van het bestemmingsplan.
  • ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3218 (Bestemmingsplan “Buitengebied Noordoost”, Handhaving. Weigering handhavend op te treden tegen gebruik bosperceel als mountainbikeparcours)
    Op het bosperceel rust de bestemming “Natuur”. De daarvoor aangewezen gronden zijn op basis van de planregels bestemd voor extensief recreatief medegebruik. I.c. wordt geoordeeld dat het gebruik van de gronden als mountainbikeparcours onder het begrip “extensief recreatief medegebruik” kan worden geschaard. […] Intensief of extensief recreatief medegebruik? […] 6.1. Op grond van het bestemmingsplan rust op het bosperceel de bestemming “Natuur”. De daarvoor aangewezen gronden zijn op basis van artikel 8.1, onder e, van de planregels bestemd voor extensief recreatief medegebruik. In artikel 1.36 van de planregels wordt extensief recreatief medegebruik gedefinieerd als recreatief medegebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen en daarmee gelijk te stellen activiteiten (met uitzondering van rust- en picknickplaatsen met bijbehorend meubilair), dat geen specifiek beslag legt op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden en die in hoofdzaak gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving.
    6.2.Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat het gebruik van de gronden als mountainbikeparcours onder het begrip “extensief recreatief medegebruik” kan worden geschaard. Of het nu gaat om gebruikersaantallen van gemiddeld 150-200 per dag, zoals het college stelt, of om gebruikersaantallen van gemiddeld 250-300 per dag, zoals [wederpartij] stelt, van een intensief gebruik is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake. Dat het mountainbikeparcours ook twee keer per jaar wordt gebruikt voor toertochten, laat de Afdeling, anders dan de rechtbank, buiten beschouwing, ook omdat voor deze toertochten vergunningen moeten worden aangevraagd. Verder is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het mountainbikeparcours geen specifiek beslag legt op de ruimte. Op grond van artikel 1.36 van de planregels valt ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden niet onder specifiek ruimtebeslag. Het mountainbikeparcours zelf, dat op het perceel van [wederpartij] bestaat uit een onverhard pad, legt geen specifiek beslag op de ruimte. Niet is gebleken dat er op andere wijze door het mountainbikeparcours of het gebruik daarvan specifiek beslag op de ruimte wordt gelegd. Ten slotte kan, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet gezegd worden dat het gebruik van het mountainbikeparcours niet in hoofdzaak gericht is op natuur- en landschapsbeleving. Dat het mogelijk gaat om een andere vorm van natuurbeleving dan bijvoorbeeld bij wandelen, paardrijden of fietsen, maakt niet dat het gebruik van het mountainbikeparcours niet in hoofdzaak gericht is op natuur- en landschapsbeleving. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college het handhavingsverzoek van [wederpartij] ten onrechte heeft afgewezen. Omdat er geen sprake is van een overtreding, is het college niet bevoegd om handhavend op te treden. […]

Gewasbeschermingsmiddelen

  • Vz. Rb. Limburg 2 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:6311 (Handhaving, algemene zorgplicht Bal, art. 2.11 Bal, lelieteelt, gewasbeschermingsmiddelen)
    Besluit van verweerder tot het afwijzen van een verzoek om handhaving en een verzoek tot het opleggen van maatwerkvoorschriften van verzoekster. Verzoekster heeft deze verzoeken gedaan in verband met de teelt van lelies en de daarbij gebruikte gewasbeschermingsmiddelen. Volgens verzoekster ontstaat bij het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen een onaanvaardbaar risico voor mens, dier en milieu. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het afwijzende besluit van verweerder en tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
    De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.
    De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 2.11 van het Bal degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, verplicht is
    a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
    b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
    c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
    De voorzieningenrechter stelt, zoals hiervoor eerder is overwogen, vast dat het ‘telen van gewassen in de openlucht’ in paragraaf 3.6.3 van het Bal is aangewezen als milieubelastende activiteit. De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel dat er een vermoeden is dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in artikel 2.2 van het Bal (onder andere het beschermen van de gezondheid en het milieu). Ongebreideld gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan immers gevolgen voor mens en milieu hebben. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal van toepassing is.
    Bij de parlementaire behandeling van het Bal – op de grondslag van artikel 23.5 van de Ow – is de handhaafbaarheid van de specifieke zorgplichten aan de orde gekomen. Daarbij is overwogen dat daarvan sprake kan zijn als het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht evident in strijd is met de specifieke zorgplicht. Directe handhaving van het overtreden van de specifieke zorgplicht is niet gerechtvaardigd als diegene redelijkerwijs niet kon weten wat in het concrete geval een goede invulling is van de specifieke zorgplicht.1 De handhaving van specifieke zorgplichten is eerder in algemene zin ook aan de orde geweest bij de parlementaire behandeling van de Omgevingswet en van de Invoeringswet Omgevingswet, waarbij eveneens is benadrukt dat de specifieke zorgplichten alleen betrekking hebben op ‘evidente situaties’,2 waarbij voor handhavend optreden sprake moet zijn van een ‘onmiskenbaar in strijd handelen’.3 Uit de nota van toelichting bij het Bal volgt dat directe handhaving van de specifieke zorgplicht voor de hand ligt bij evidente overtredingen. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht.
    Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder artikel 2.11 van het Bal bestuursrechtelijk kan handhaven wanneer het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor de lelieteelt onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. De voorzieningenrechter sluit hiermee in zoverre aan bij de invulling die in de rechtspraak is gegeven aan de mogelijkheid tot handhaving van de zorgplicht uit het voorheen geldende artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
    De voorzieningenrechter stelt vast dat aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij de lelieteelt specifieke voorschriften zijn verbonden, namelijk de gebruiksvoorschriften die het Ctgb heeft vastgesteld en de algemene regels uit paragraaf 4.64 van het Bal. Verzoekster betwijfelt echter of die voorschriften toereikend zijn. Zij wijst op onder meer onderzoek door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het advies van de GGD om voorzichtig te zijn bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De voorzieningenrechter begrijpt dat er aanwijzingen zijn voor een verband tussen het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen en het voorkomen van bepaalde ziektes en aandoeningen. De voorzieningenrechter is echter met verweerder van oordeel dat daarmee nog niet is gegeven dat onmiskenbaar sprake is van een overtreding van de specifieke zorgplicht door de lelietelers enkel en alleen door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, ook als dat in overeenstemming is met de gebruiksvoorschriften en paragraaf 4.64 van het Bal. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een evidente overtreding van artikel 2.11 van het Bal die het rechtvaardigt dat er een voorlopige voorziening wordt getroffen in afwachting van de beslissing op het bezwaar van verzoekster.

Handhaving

  • ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 (Overzichtsuitspraak, Woningsluitingen, Handhaving, Opiumwet)(Zie in dit verband ook de uitspraken: ECLI:NL:RVS:2025:2923, ECLI:NL:RVS:2025:2924, ECLI:NL:RVS:2025:3261, ECLI:NL:RVS:2025:3262, ECLI:NL:RVS:2025:3263, ECLI:NL:RVS:2025:3264, ECLI:NL:RVS:2025:3265, ECLI:NL:RVS:2025:326)
    In deze uitspraak geeft de Afdeling de uitgangspunten weer waar zij van zal uitgaan bij de beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet (r.o. 6 tot en met 12). In navolging van de uitspraak van 02 februari 2022 over de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt daarbij ook ingaan op het karakter van deze bevoegdheid en de intensiteit waarmee de bestuursrechter dergelijke besluiten toetst.
    Bij besluit van 8 juli 2021 heeft de burgemeester van Rotterdam de woning aan de [locatie] in Rotterdam voor zes maanden gesloten. [appellante] woonde samen met haar vader [persoon] in de woning aan de [locatie] in Rotterdam. Op 9 maart 2021 heeft er een grootschalig witwasonderzoek door de regionale recherche plaatsgevonden. Bij dit onderzoek werd [persoon] aangehouden en werd de woning doorzocht. In de door de politie aan de burgemeester gerichte brief van 15 april 2021 en de bestuurlijke rapportage van 7 april 2021 staat dat in de woning het volgende is aangetroffen: € 44.580,00, vijf pistolen, een minipistool, een vuurwapen in de vorm van een wandelstok, een wapenstok, een hakbijl, een wurgstok, een kruisboog, een boksbeugel, elf verschillende messen, vijf kobra’s, een gripzakje met netto 8 g MDMA, een gripzakje met netto 9,8 g cocaïne, een zakje met netto 4,5 g inositol en een zakje met netto 35,7 g lactose. De burgemeester heeft besloten om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor zes maanden te sluiten. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het gaat om een ernstig geval en dat de woning bekend is in het criminele circuit.
    De last onder bestuursdwang is een herstelmaatregel, in dit geval met als doel het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet, steeds in of vanuit de woning. Deze maatregel kan de vorm krijgen van een sluiting van de woning voor een bepaalde duur. De burgemeester kan – naar gelang de omstandigheden van het geval – kiezen voor een minder ingrijpend middel, zoals een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
    8.1. Als de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is om in een concreet geval op te treden met een last onder bestuursdwang en hij overweegt om een woning te sluiten, zal hij moeten beoordelen of dat in de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is, en zo ja, voor hoe lang. Wanneer hij daarvoor beleid heeft geformuleerd, zal hij dat beleid in de regel moeten toepassen en ook moeten bezien of er grond bestaat om daarvan af te wijken. Steeds zal hij daarbij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan met het oog op de hiervoor genoemde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
    8.2. De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. De bestuursrechter toetst aan de hand van de beroepsgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Bewoners voeren vaak aan dat de sluiting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De intensiteit van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt bepaald door onder meer de aard en de mate van de beleidsruimte van het bestuursorgaan, de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt. Naarmate die belangen zwaarder wegen, de nadelige gevolgen van het besluit groter zijn of het besluit een grotere inbreuk maakt op fundamentele rechten, zal de toetsing intensiever zijn. Gelet op de forse inbreuk die een woningsluiting kan maken op grondrechten van de bewoners, zal deze toetsing bij woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet daarom doorgaans indringend zijn.
    8.3. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het volledig tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig zware gevolgen in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Een besluit met harde of ingrijpende gevolgen is daarom niet per definitie een onevenredig besluit. Omgekeerd kan een besluit met minder ingrijpende gevolgen ook onevenredig zijn, bijvoorbeeld omdat de met het besluit te dienen doelen in verhouding minder zwaar wegen. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.
    8.4. De evenredigheidsbeoordeling bestaat uit een beoordeling van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van het besluit. De Afdeling zal hieronder ingaan op deze drie elementen en de aspecten die voor deze beoordeling van belang zijn.
    Geschiktheid
    Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval de burgemeester zijn doelen nog wel kan bereiken, dient hij de noodzaak van de sluiting te beoordelen.
    Noodzaak
    Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
    10.1. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
    10.2. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. Wanneer een woning ten slotte eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling, kan ook dit relevant zijn bij de beslissing om tot sluiting van de woning over te gaan, met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op voorkomen van nieuwe overtredingen. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan dient de burgemeester hiervan af te zien.
    Evenwichtigheid
    Als de conclusie is dat de burgemeester zijn beoogde doelen niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning voor een bepaalde duur kan bereiken en een woningsluiting dus het aangewezen middel is, betekent dit nog niet dat hij hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet hij zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is.
    11.1. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning – die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen – een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.
    11.2. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.
    Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, dient hij van sluiting af te zien. Afhankelijk van de concrete situatie zou de burgemeester dan nog kunnen kiezen voor een last onder dwangsom of een waarschuwing.

Internetconsultatie Spoedwet vervangen omgevingswaarde stikstof

Vanaf 14 juli 2025 ligt het wetsvoorstel tot wijziging van de Omgevingswet in verband met het vervangen van de omgevingswaarde voor stikstofdepositie (Spoedwet vervangen omgevingswaarde stikstof) voor ter internetconsultatie. In de Omgevingswet zijn resultaatverplichtende omgevingswaarden opgenomen voor het verminderen van de depositie van stikstof op daarvoor gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Deze omgevingswaarden zijn gebaseerd op de kritische depositiewaarde (KDW). Dit wetsvoorstel vervangt de huidige, op de KDW gebaseerde omgevingswaarden door een wettelijk verplicht programma gericht op een aanzienlijke reductie van de emissie van stikstofverbindingen. Tot en met 24 augustus 2025 kan een ieder reageren op de consultatiedocumenten.